Haarlemmermeer Holland  

 

 

                       

Geboortehuis  Colijn
Oude Venneperweg, Burgerveen
 

Colijn en de Haarlemmermeer

 

Het was geen toeval dat Hendrikus Colijn op 22 juni 1869 in de Haarlemmermeer, in Burgerveen, vlak bij de ringvaart, werd geboren.(foto) Dat is natuurlijk enigszins raar geformuleerd, want deze formulering lijkt te leiden naar de filosofische vraag of het ooit toeval is dat iemand ergens wordt geboren. Maar zo bedoel ik het niet; ik bedoel er mee aan te geven dat zijn ouders niet zo maar, op goed geluk, naar de nog maar enkele tientallen jaren tevoren drooggevallen Haarlemmermeer waren geko­men, maar dat hun vestiging in de polder deel uitmaakte van een migratiebeweging van een specifieke bevolkingsgroep. Het gaat daarbij om leden van de Christelijke Afgeschei­den Kerk uit het Land van Heusden en Altena, die daar hun bestaan in de landbouw vonden. Dit kerkgenoot­schap, de Christelijke Afgescheiden Kerk, was ontstaan nadat vanaf 1834 groepen orthodoxe protestanten de Nederlandse Hervorm­de Kerk de rug hadden toegekeerd, omdat zij vonden dat modernere geloofsopvattin­gen daarin teveel ruimte kregen. Dit proces staat bekend als de Afscheiding van 1834; het Land van Heusden en Altena was een van de brandpunten van deze Afscheiding.

Kort na het droogvallen van de Haarlemmermeer omstreeks 1850 vestigden zich de eerste afgescheiden boeren uit het Land van Heusden en Altena in de nieuwe polder. Het gaat hier om families als de Verkuyls, de Biesheuvels, de Groenenbergs en de Van den Heuvels. Ik noem deze namen even, omdat me dat de gelegenheid geeft erop te wijzen dat uit deze specifieke bevolkingsgroep, afgescheiden boeren uit het Land van Heusden en Altena die zich in de Haarlemmermeer hadden gevestigd, niet een, maar twee Nederlandse minister-presi­den­ten zijn voortgekomen: naast Hendrikus Colijn ook Barend Biesheuvel, minister-president van 1971 tot 1973, die zoals u weet zeer onlangs overleden is.

Sinds ik drie jaar geleden het eerste deel van mijn Colijn-biografie voltooide, heb ik kennis kunnen nemen van een nieuw document. Het gaat hier om de lezing, in Colijns eigen handschrift, die hij op 29 maart 1893 in de gerefor­meerde kerk van Haarlemmermeer Oostzijde hield over het onderwerp 'De beteeke­nis van ons Vorstenhuis voor ons volk'.  Nieuwe inzichten met betrekking tot Colijns denkbeel­den levert deze lezing niet op, maar wel wordt eruit duidelijk dat Colijn zich onmiddellijk na zijn bekering weer ten volle deel is gaan voelen van de geloofsge­meenschap van zijn ouders en van zijn toekomstige echtgenote. Ook openbaart zich hier de behoefte van Colijn, inmiddels tweede luitenant, an­deren deelgenoot te maken van zijn kennis; deze neiging tot doceren zou een blijvende karaktertrek van Colijns publieke optreden worden.

Samenvattend zou ik dit eerste deel van mijn lezing als volgt willen besluiten. Hendrikus Colijn was afkomstig uit een milieu van orthodox-protestantse boeren, die aanvankelijk als 'Afgescheidenen' werden aangeduid, later als christelijk-gerefor­meerden en sinds 1892 als gereformeerden. Het oorspronkelijke woongebied van deze groep was het Land van Heusden en Altena, maar na het droogvallen van de Haarlemmermeer was een deel van hen naar de nieuwe polder verhuisd, waar zij opnieuw een hechte kerkelijke gemeenschap vormden met voornamelijk onderlinge huwelijken. Hoewel er tot de migranten waarschijnlijk ook landarbeiders hebben behoord, zijn voor de afkomst van Colijn toch vooral de zelfstandige boeren onder hen van belang: zowel hijzelf als zijn vrouw stamden uit geslachten van zelfstandige boeren, die in de nieuwe polder tot welstand waren gekomen.

 

Daarmee kom ik aan het tweede deel, mijn poging tot beantwoor­ding van de vraag welke betekenis deze afkomst van Colijn heeft gehad voor zijn latere politieke loopbaan. Op een bepaald punt zitten er in het voorafgaande al elementen van die beantwoording, namelijk daar waar het Colijns levensovertuiging betreft. Nadat er in 1893 een einde gekomen was aan de periode van vervreemding van kerk en godsdienst van de jeugdige militair, zou Colijns verdere leven geen geloofstwijfels meer laten zien. Anders gezegd: het calvinistische protestantisme zou hij zijn verdere leven trouw blijven; het zou in zekere zin de basis voor zijn politiek handelen vormen, zonder dat zich over het algemeen laat aangeven hoe dat dan precies het geval is geweest. Bij gebrek aan uitspraken van Colijn over de relatie tussen zijn levensovertuiging en zijn concrete politieke handelen valt hier verder niet zoveel meer over te zeggen.

Het lijkt dan ook vruchtbaarder ons te concentreren op Colijn als boeren­zoon. Wat zijn de consequenties geweest voor zijn politiek handelen van het feit dat hij een  boerenzoon uit de Haarlemmermeer was?

 

Dr Herman Langeveld         

(Fragm.; dec.nr. 2001)