Haarlemmermeer Holland  

Het succes v/d Paling

Start ] terug ] SiteMap ] Organisatie ]

 

 

                       

 

Het succes van de paling

 

Een groot deel van de Europese wateren maakte vanaf de vroege Middeleeuwen een belangrijke overgang door. Veel water in Europa, dat voorheen koud, zuurstofrijk en snelstromend was boven een tamelijk naakte bodem, werd warm en zuurstofarmer en ging bovendien langzamer stromen, terwijl de bodem meer met planten bedekt raakte.
Een belangrijke oorzaak hiervan was de economische ontwikkeling: het geheel van ontbossing, ontginning, landbouw en veeteelt. Hierdoor werd de grond blijvend en telkens opnieuw verstoord en kwamen er meer voedingsstoffen in het water terecht door erosie. Door de ontbossing traden ook hogere pieken op in de waterafvoer. De habitat voor de Europese vispopulatie werd nog verder aangetast door afdammingen, kanaliseringen en andere wijzigingen van de waterhuishouding.
De verspreiding van de watermolen vanaf het jaar 1000 betekende een ware toevloed in de afdamming van wateren. De watermolen werd overal toegepast voor het malen van graan, het basisvoedsel in de meeste gebieden. Uit de latere Middeleeuwen stammen ook industriële toepassingen van watermolens voor de fabricage van metaal, glas, papier, en als zaag- en volmolen.
Al die afdammingen betekenden een ernstige belemmering voor trekkende vissoorten zoals forel en zalm. Vele konden in het voorjaar hun paaigebieden in de hogere rivierzones, zoals bergmeertjes, niet meer bereiken.

Het afdammen van waterstromen had echter nog andere gevolgen voor de visstand. Voor een dam neemt de stroming sterk af en er vormt zich een stuwmeer. Het stilstaande water krijgt meer kans op te warmen dan voorheen. Het zuurstofgehalte neemt dus af, bovendien vindt er sedimentvorming plaats en er ontstaat meer gelegenheid voor planten met wortels. Dank zij de meervorming nam ook het totale volume aan nu voedselrijk water toe. Het gevolg van al deze ontwikkelingen was dat de vissen van de brasemzone zoals de karperachtigen het wonnen van de migrerende zuurstofminnende forel- en zalmachtigen. Dit wordt weerspiegeld in de verschuiving in de soortensamenstelling, zowel van de vangst als in het consumptiepatroon van de middeleeuwer.

Archeologische gegevens over de visstand in het verleden zijn pas vrij recent ter beschikking gekomen. Sinds een jaar of tien worden namelijk bij opgravingen delen van de grond gezeefd met zeven met zeer fijne mazen en daardoor worden de kleinste graten en skeletdelen van vissen teruggevonden. Het betreft slachtafval, keukenafval en geconsumeerde visresten uit beerputten en afvalhopen, en van onder keukenvloeren. Door die visrestanten nauwkeurig te determineren, te wegen en te tellen, kan worden vastgesteld hoe het consumptiepakket van de middeleeuwer was samengesteld, hoe groot het relatieve aandeel van een bepaalde vissoort daarin was en hoe dit veranderde door de tijd heen. Daarbij treden natuurlijk allerlei aan de plaats gebonden kenmerken op. In elitaire huishoudens, zoals kastelen, werden meer chique vissen, zoals steur, gegeten dan in arme huishoudens. Van belang is ook tot welke viszone het huishouden gemakkelijk toegang had.

Naarmate de Middeleeuwen vorderden zijn in het consumptiepakket van de middeleeuwer steeds meer karpers, karperachtigen e.d. in het oudheidkundig materiaal te vinden. Een verandering in de consumptie is representatief voor veranderingen in de plaatselijke vispopulatie. Dus een toename van karperachtigen in het consumptiepakket betekent een toename van deze vissen in de Europese wateren.
Daarenboven voerde de mens ook nieuwe soorten in. De karper verspreidde zich vanaf circa 1100 vanuit Oost-Europa naar het westen, ondermeer door ontsnappingen uit kweekvijvers. De karper en andere bewoners van de brasemzone gedijden uitstekend bij de voortgaande verstoringen van het milieu, in het bijzonder waar het toevoeging van voedingsstoffen aan het water betrof door erosie, veroorzaakt door landbouw en andere grondverstorende activiteiten. Aal en karper waren echte moddervissen.
De mens greep al in de middeleeuwen drastisch in de wateren van Europa in - veel vroeger dan menig historicus voor mogelijk houdt. Voor het land was de menselijke beïnvloeding al bekend, omdat over ontbossing en dergelijke al lang geschreven wordt; voor het water is dit nog vrij nieuw.

In de Nederlanden moet de paling zijn toegenomen. Bovendien moet de populatie in de Nederlanden zich behoorlijk hebben uitgebreid doordat de veenafgravingen leidden tot vergroting van zijn habitat.
Hiertegenover staat de invloed van de afdammingen op de migrerende vissoorten, waartoe ook de paling behoort. De populatie van trekkende en deels in zoetwater levende vissen moet behoorlijk afgenomen zijn sinds alom de rivieren werden afgedamd, vanaf de dertiende eeuw. Dit betrof de dammen waaraan veel Hollandse steden hun naam danken zoals Edam, Monnikendam, Amsterdam, Spaarndam, Rotterdam en Schiedam. Men noemt dit wel: de verharding van de grenzen tussen het zoete en het zoute.
(Dr Petra van Dam; fragm. MH sept. 2002)