|
|
|
|
Landarbeiders
Inleiding In Meer-Historie lees ik al jarenlang artikelen over boeren en boerderijen. Zelden is er iets te vinden over de arbeiders die hebben mee geholpen de Haarlemmermeer droog te maken en daarna tot een welvarend landbouwgebied om te vormen. Vandaar dit artikel.
De woonsituatie Laat ons eens kijken naar de woonomstandigheden van de, veelal kinderrijke, landarbeidersgezinnen. Het is toch zo dat, wanneer gewoond werd in een woning welke dezelfde eigenaar had als de boerderij waartoe de woning of wat daarvoor doorging, behoorde, het meestal schandalig kleine en slecht gebouwde woningen betrof. Veelal werden ze gebouwd als dubbele woonhuisjes, maar soms ook met een hele rij aan elkaar. Als voorbeeld neem ik een huisje aan de Aalsmeerderweg in het tegenwoordige Rijsenhout, een dubbel woonhuisje. Een daggeldershuisje, zoals er zoveel in de Haarlemmermeer staan of hebben gestaan.
Zo’n 60 jaar geleden was de afmeting van dit pand per woning: begane grond 5 x 8 meter en de zolder had een nuttige oppervlakte van ca. 5 x 5 meter. Die zolder, waar meisjes en jongens bij elkaar, vaak zelfs in één bed, sliepen besloeg het hele huisoppervlak, maar omdat het schuine dak aansloot op de zoldervloer was maar op een klein gedeelte voldoende stahoogte. De zolder had in genoemd geval, behalve het trapgat, één schuifraampje van ca. 80 cm breed. Tevens bij calamiteiten de enige vluchtweg. Op de zolder was een ruime inloopkast getimmerd en dat was het. De ingang van de woning was aan de achterzijde, waar rechts de regenput stond en tegenover de ingang een schuurtje met daarin de plee. Vijf stappen van huis tot schuurtje maar, vooral voor kinderen, ‘s nachts doodeng om naar het toilet te gaan! Zo’n plee met houten deksel had geen afvoer naar bijvoorbeeld de septictank en/of sloot, maar de opslagtank moest regelmatig worden leeg geschept, waarbij de inhoud over de tuin werd verspreid. Genoemde ingang gaf direct toegang tot de keuken van ca 5 meter breed en 3 meter diep. In de zomer woonde men meestal in de keuken. Daar was geen kachel, maar wel stond daar het fornuis onder de slecht trekkende schoorsteen, waarin hout, kolen of cokes werd gestookt. In de keuken, tegen de buitenmuur, was de trap naar de zolder. Die begon echter pas, evenals de deur naar de zolder, op ca. 1.20 meter van de vloer. Dat was nodig omdat de trap dwars door de bedstede liep en daar alleen erg kleine mensjes in konden slapen wanneer de trap op vloerniveau was begonnen. Teneinde die 1.20 meter hoogte te overbruggen was een klein los trapje aangebracht en om overal te kunnen werken werd dat trapje wel eens weggenomen en wie op zo’n moment in haast de trap af denderde kwam met een soort doodsmak in de keuken terecht. Hoewel de uitroep ‘Trap is weg!’ verplicht was. Via een gangetje, van ca 1,40 meter breed en 1,50 meter diep, met aan weerszijden een bedstede bereikte, men de woonkamer. Dit gangetje stond in directe verbinding met de keuken en diende als kapstokruimte. Echter, de vloer was over het gehele oppervlak kelderluik! Tussen gangetje en woonkamer was een deur en wie nietsvermoedend van kamer naar keuken liep terwijl het kelderluik openstond had een gerede kans een lelijke smak te maken. Men moest vaak in de kelder zijn, omdat er onder anderen naast de levensmiddelen, de aardappels, koolraap en inmaakpotten werden bewaard. Wanneer iemand in de kelder moest zijn werd hij of zij geacht te roepen: ‘Luik staat open!’ In de laatste wereldoorlog, toen de woning deel uitmaakte van het schijnvliegveld diende het gangetje als schuilplaats tegen bommen en scherven. Men stond daar het meest beschut, hoewel die standplaats boven het kelderluik achteraf toch niet zo’n goed idee was. De woonkamer van ca 3 x 5 meter bevatte enkele vaste kasten en de ingangen van de beide bedsteden. Het huis was halfsteens opgetrokken, de muren waren betengeld met daarop jute en op die jute plakte men behang. Naast het fornuis in de keuken stond alleen in de kamer een potkachel, waarin hout, eierkolen, antraciet of cokes werd gestookt. De geringe dikte van de muren had ook voordelen. Het geval wilde dat de beide woningen als spiegelbeeld waren gebouwd. Daardoor lagen de bedsteden, waar de hoofdbewoners sliepen, tegen elkaar. Men behoefde niet altijd zelf de wekker te zetten, want omdat alle muren halfsteens waren opgetrokken kon de buurman, eenvoudig door op de muur te kloppen de ander wekken. Even later klonk het buiten ‘Ga je mee’ en begon voor beide heren de vroege dag, met melkemmertje dat ze om 9 uur, bij de eerste schaft vol mee terug brachten, de stukkenzak met brood en de drinkkruik. Hoe het onderhoud van de woningen door de boeren werd aangepakt mag blijken uit het volgende: Op een dag was het granieten aanrechtblad in de keuken gebroken. Dat werd niet vervangen, maar de boer liet timmerman Cor van Vuren een nieuw blad, over het oude, maken. Van asbestplaat! De elektrische verlichting op de zolder kwam er in de vorm van één peertje in het trapgat, in de oorlog, aangelegd door de buren, de jongens van Loogman.
Piet Tuik MH sept. & dec. 2006 (fragm.)
|