|
|
|
|
De vleugels van Fokker Zoals bekend werkte Fokker als jonge autodidactische vliegtuigbouwer in Duitsland in de eerste wereldoorlog, en leverde een serie jachtvliegtuigen die als de beste van de Duitse luchtmacht beschouwd werden. Zijn eerste praktische jager was de E III; niet zozeer succesvol door de vliegeigenschappen, maar door de met de propeller gesynchroniseerde mitrailleur. Opvallend is dat de vleugel verspannen is via tuidraden vanaf het onderstel en een baldakijn bovenop de romp, in principe zoals ook al bij Fokkers beroemde Spin het geval was.
Afb. Fokker E III. Verspannen 1-dekker op de barkruk(mitrailleur voor open cockpit)De volgende generatie werd in het algemeen als tweedekker opgezet, waarbij beide vleugels door middel van spandraden zodanig verbonden werden dat een soort brugconstructie ontstond. Dit stond toe dat lichte constructies gerealiseerd werden. De vleugels werden dun gehouden omdat de toenmalige stand van de techniek vond dat dit de meest efficiënte vleugels op zou leveren.
Bij de ontwikkeling van de DR I, de beroemde driedekker, maakte Fokker waarschijnlijk gebruik van onderzoeksresultaten uit Göttingen, welke aangaven dat dikkere vleugels niet alleen best meevielen qua luchtweerstand, maar ook betere vliegeigenschappen over een breed gebruiksgebied zouden opleveren. De vleugels van de DR I waren dus dik, met een inwendige constructie van een zodanige sterkte dat de spandraden niet meer nodig waren. Netto leverde dit minder luchtweerstand, maar de grootste winst zat vermoedelijk in de goedige vliegeigenschappen, zodat de DR I dichter bij zijn limieten gevlogen kon worden.
Afb. Fokker DR 1 De vleugelgeometrie was verder niet aangepast aan de mogelijkheden en de specifieke eigenschapppen van vrijdragende vleugels; dat kwam pas bij volgende versies.
(Evert Jesse; f ragment uit
Meer-Historie
dec. 2002)
|