Haarlemmermeer Holland  

 

 

                       

 

Overzicht en terugblik op het Internaatsleven (I)

 De Groningse jongens waarvan  hieronder sprake is, heetten Jaap Woltjer en Ekko Ubbens. Zij kwamen in 1922 op de Landbouwschool in Hoofddorp. Het aardige is dat in het Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de school in 1946, door Ekko een herinnering geschreven is aan zijn tijd in Hoofddorp. Die herinnering laten we hier volgen. (Ubbens overleed in 1991 op 85-jarige leeftijd.) Onder het stuk zijn ter verheldering wat aantekeningen gemaakt; de hulp van de oud-leraar van de school, de heer Frans de Jong, was hierbij onmisbaar. 

Levendig herinner ik me nog het ogenblik van onze eerste aankomst, als Groninger, in 1922, aan het Station te Hoofddorp (1). We werden afgehaald door de heer Woldendorp (2). Tegelijk arriveerde een Zeeuwse boer met onze toekomstige klasgenoot Jaap van de Bijl. We hebben ons toen toch even gevoeld, wij, die onze pappies op reis niet meer nodig hadden!

Rechts van ons passeerden we De Beurs. Sjonge, sjonge, een Beurs in Hoofddorp! Welk een drukte van belang! Tientallen auto’s zag je daar ge­parkeerd. De één nog mooier dan de andere. De Ford van Koen Verkuijl, de z.g.n. Hoge Hoed, de Overland van Biesheuvel….nee maar, hier waren we beland in een oord, overvloeiende van melk en honing! Hoe was het mogelijk, dat de Haarlemmermeerse boer in een auto reed en dat bij ons in Groningen slechts een dokter en een notaris zich die weelde konden veroorloven? Het antwoord van een Meerse boer uit die tijd was: De Groningers leven arm en sterven rijk; wij echter leven rijk en sterven arm. Misschien was hier wel wat van aan, doch veel geloofwaardiger lijkt mij het antwoord van een niet-Meerse boer. Die vertelde van boeren, die tijdens de eerste wereldoorlog nog in brikken (3) of Utrechtse wagens naar Haarlem of Amsterdam reden, met een vet varken of een paar mud tarwe als gezelschap. En daarna thuis kwamen met een welgevulde portefeuille en de woorden: Zie zo, vrouwtje, weer een goede dag gehad! Dat verdient nog beter dan op de Beurs. Ze noemden dat in 1914-1918 nog verdienen, in ’40-45 noemden wij het ,,zwartjen”.(4)

Die Beurs bracht me even op zijwegen!

 

Bij de brug had je al weer van die geweldige dingen: links het polderhuis, rechts de markt. Daar wees meneer Woldendorp ons de Geref. Kerk, waar we ‘s Zondags naar toe moes­ten. Dat gebouw was niet bepaald verheffend. De meeste boeren komen hier met luxe-auto’s naar de kerk, hoorden we meneer zeggen. Wij dachten er ‘t onze van. Eindelijk belandden we in een zijlaantje en wees meneer ons zijn woning, vastgekoppeld aan de woning van Burgemeester Slob (5). Dat leek ons wat! Bij de Burgemeester van zulk een dorp, onder éne dak! Na een stevige maaltijd moesten we examen afleggen. We zetten ons beste beentje voor, want meneer had ons al verklapt, dat in De Meer heel aardige en knappe meisjes waren. Dus moesten we hier op verkenning uit en het scheepje mocht niet in de haven vergaan.

 

De volgende dag op de fiets naar Nieuw-Vennep.  Onderweg gaven we onze ogen de kost. Hier en daar zagen we vier paarden voor de ploeg, voetje voor voetje hun moeizame tocht vervolgend. Dat was op ‘t Hoge land in Groningen wat anders: twee paarden voor de ploeg en……..een voet er door! Zeker, volgens meneer Woldendorp oogstten ze in de Haarlemmermeer soms 50.000 kg suikerbieten per ha, doch opscheppen is ook een vak! Ze halen er hier ook geen koppen af, bleek ons al spoedig. Ze laten ‘t loof verdraaid op ‘t land liggen rotten; wij in Groningen verkopen dit voor f 210.- en meer per ha. Zo maakten we allerlei vergelijkingen en maakten onze con­clusies, steekhoudend of niet. Hier en daar liep een tractor. Inderdaad was daarin de Meerse boer ons ver vooruit. Maar, zou zo’n ding op ’t land wel rendabel zijn? En kijk eens, wat mennen ze die paarden gek!  Stel je voor, dat die paarden aan de haal gaan, dan kunnen zij ze toch nooit meer stil krijgen (6). En dan die kromme korte dissels (7). En dat paardetuig met die jakken!(8) Nee, hier zijn ze toch enerzijds ons vooruit, met tractoren en auto’s, maar anderzijds komen ze 4.000 jaar achteraan!

 

Ekko Ubbens

Toelichting:

1)     Dit is het voormalige station aan de Stationsweg.

2)     J. Woldendorp, eerste directeur der school, van 1921 tot 1933.

3)     rijtuigen

4)     het maken van oorlogswinst

5)     De jongens waren intern bij de directeur, die vlakbij de school in de Julianalaan woonde.

6)     Waarschijnlijk bedoelt Ubbens hier: ”het mennen van paarden met de z.g. ”hotlijn”.  Een hotlijn is één enkele teugel, die aan het paardenbit of paardentoom vastzit. Een paard dat daarin gedresseerd is, zal, wanneer er rustig door de voerman aan de “hotlijn”    wordt getrokken naar links, maar wanneer er met korte rukjes aan wordt getrokken en tegelijkertijd het woord “hot”wordt geroepen, naar rechts gaan.  

Normaal wordt een paard of worden paarden met dubbele teugels gemend. Hiermee kunnen de paarden beter “in toom” worden gehouden dan paarden die met een “hotlijn” worden gemend.

7)     Volgens Van Dale betekent het woord “dissel”:  disselboom met een onderscheid naar:

 

·      lange dissel:  boom tussen de paarden van een tweespan voor een wagen

·      kromme dissel : kort sterk gebogen hout voor de besturing van een zekere boerenwagen.

 

Deze “zekere boerenwagen” was o.a. de boerenwagen die in de Haarlemmermeer veelvuldig werd gebruikt. Het voordeel van deze wagen was, dat hij bestuurd werd met een z.g. “schamelstuur”. Dit is een besturing, waarbij de gehele vooras onder de wagenbak door kan draaien, waardoor de draaicirkel zeer kort kan zijn. Wordt daarbij een kromme, dus korte, dissel gebruikt, dan zullen de paarden ook met een korte draaicirkel kunnen zwenken. Het bezwaar van deze besturingsmethode is echter, dat de wagen op hellend terrein of  bij hogere snelheid, moeilijk is af te remmen. Het remmen en besturen moet daarbij zodanig gebeuren dat de rechtervoet van de voerman de kromme dissel bedient, terwijl de linkervoet op de bil van één paard  gezet wordt, om de wagen niet op de paarden te laten inlopen.

(8)        Waarschijnlijk bedoelde de heer Ubbens met “jakken”: hamen of     garelen. Een gareel is een houten halsjuk, bekleed met een lederen vacht, dat gebruikt wordt bij trekpaarden om de strengen aan te bevestigen, die de wagen of het werktuig moeten trekken. Deze garelen hebben per streek een ander model. Vaak fraai versierd of ook wel eenvoudig en doelmatig gemaakt. In Groningen kende men dan ook een geheel ander model dan de garelen die in het algemeen in de Haarlemmermeer werden gebruikt. Vandaar dat Ubbens dit vreemd vond.