Haarlemmermeer Holland  

Schijnvliegveld

Start ] terug ] SiteMap ] Organisatie ]

 

 

                       

 

Het schijnvliegveld


Het leven aan de Aalsmeerderweg verliep sober maar rustig, tot mei 1940. De oorlog begon en er verschenen vreemde vliegtuigen in de lucht. Geen passagiersvliegtuigen meer van de KLM, op weg naar Londen of verder, maar hakenkruizen en een ander motorgeluid.


Vrijwel direct na de capitulatie van Nederland, begonnen de Duitsers op het land van Pruissen en op enkele percelen land van de verderop wonende boer Marbus, een zandbaan aan te leggen. De baan liep vanaf de Bennebroekerweg, parallel aan de Aalsmeerderweg en de Haagweg, tot aan het land van Gort, dat beheerd werd door Dirk Jan van den Heuvel. Dit betekende dat 60 bunder land van Pruissen en 20 bunder van Marbus, doorsneden werd op zo'n kleine 650 meter van de Aalsmeerderweg en ruim 350 meter van de Haagweg. De baan eindigde op de grens tussen het land van Marbus en dat van Gort.


Over de enigszins verhoogde zandbaan werden biels en rails gelegd en op de zo gevormde spoorbaan kwam een spoorwagon. Die spoorwagon werd zó aangekleed met platen triplex, dat het uit de lucht op een vliegtuig kon lijken. Uiteraard ontbraken de vleugels en het stabilo niet. In een kistje bevond zich een accu die zorgde dat de lampjes aan de vleugeltips en middenachter ook echt konden branden.


Het mooi gestileerde nepvliegtuig was geen lang leven beschoren. Al na enkele maanden waaide het tijdens een vrij zware storm, geheel stuk. Overal op het land stukken triplexplaat en andere houtresten. Na die tijd volstonden de Duitsers met een eenvoudig houten wagondek waarop een stalen mast met tuidraden voor het schoren van de vleugels. Die vleugels bestonden voortaan simpel uit stalen buizen, die alleen de tipverlichting nog te dragen hadden.
Aan beide einden van de baan stond een betonnen bunker. De bunker aan de Bennebroekerweg-zijde, stond zó dicht bij de tocht, dat je er met een lege driewieler kar of met een ploegslee, nog heel voorzichtig achterlangs kon, maar voor een beladen wagen was het beslist te smal. In die bunker stond de elektrische aandrijfmotor voor het nepvliegtuigje opgesteld.

De motor dreef een kabeltrommel, waarover de lange staalkabel lag die het vliegtuig, heen en weer moest trekken. De kabel was dubbel en werd ongeveer om de tien meter ondersteund door een tweetal, boven elkaar geplaatste V-vormige rollen, die gelagerd waren in op de biels geschroefde consoles. Ook was er een kabelspan-inrichting aangebracht. Over een tweetal goed verankerde rollen, bogen de kabels vanuit hun horizontale- naar een verticale positie. In de bunkerkelder hing een betonnen gewicht aan de as van een rol, waarover de kabel liep. De as werd in positie gehouden door een verticale rechtgeleiding. Doordat de spoorbaan over de laatste 50 m wat omhoog liep, kon de diepte van de kelder voor het spangewicht, beperkt blijven.


Aan de andere zijde van de baan was de bunker alleen voorzien van een goed verankerd loopwiel voor de staalkabel. Deze bunker was geheel geïntegreerd in een hangarachtig bouwsel. Kippengaas, gras en heidestruiken gaven het geheel een landelijk aanzien, maar afgezien van de betrekkelijk kleine bunker, was er eigenlijk alleen nog maar plaats voor het nepvliegtuig.
Dicht bij beide bunkers waren eindschakelaars aan de rails gemonteerd, die het vliegtuig moesten behoeden voor het zich te pletter rijden tegen de stootblokken vlak vóór de bunkers.

Piet en Jaap Tuik (fragm. MH sept.2002)