|
|
|
|
KABEL
Op 5 december 1995 kreeg ik van Hillebrand Bokhorst, de boekhandelaar, zijn ‘Honderd jaar Christelijke Gereformeerde Kerk in Nieuw-Vennep’ met als ondertitel: ‘Grepen uit de historie van een plattelandsgemeente in de Randstad’. Het is een goed gedocumenteerd en boeiend boek. Ik vond daarin de volgende ambtsperiodes van mijn buurman: van 1923-’43 diaken, dus 20 jaar lang en van 1943-’60 ouderling. In totaal dus 37 jaar zonder onderbreken. Van 1946-’60 was hij ook nog scriba van de kerkenraad. Als we ons realiseren, dat hij als landarbeider lange dagen maakte en dat hij z’n spaarzame vrije tijd moest verdelen over de volgende taken: de zorg voor z’n gezin, het bewerken van een groot stuk land (tuin- en bouwland van een halve hectare) en zijn werk als diaken en later als ouderling en scriba, dan kunnen we ons afvragen, waar hij de tijd en de energie vandaan haalde. Zijn zoon Jaap vertelde me, dat zijn vader op een gegeven moment weer gekozen werd als ouderling. Dat zal geweest zijn in 1955. Hij stond toen voor de moeilijke beslissing: mag ik voor deze ‘roeping’ bedanken? Bezien vanuit zijn situatie en zijn lange staat van dienst waren daar voldoende redenen voor. Maar waren die ook echt voldoende? vroeg hij zich af. Hij had het er moeilijk mee. Toen werd hij ‘bepaald’ bij de woorden van Psalm 32: “Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven, of als een muil door domheid voortgedreven; gebit en toom, door ‘s mensenhand bestierd, beteug’len ‘t woest en redeloos gediert. Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen. Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen. Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen, ziet zich omringd met zijn weldadigheên”. Dit gaf voor hem de doorslag en hij aanvaardde opnieuw een ambtsperiode van zes jaar. In onze tijd waarop het individualistische denken zijn stempel gedrukt heeft, heet het ronduit belachelijk, als je je eigen belangen achterstelt bij wat de gemeenschap vraagt. Maar Hendrik Bokhorst maakte zijn particuliere belangen volledig ondergeschikt volledig ondergeschikt aan de dienst van zijn God. Toen begon ik er iets van te begrijpen, waarom mijn ouders met ontzag over hem spraken.
Leen van den Berg Lzn (MH sept.2003; frgm.)
In maart 1937 - ik moest nog zes jaar worden - stapte ik de school met den bijbel (hervormd) aan de Sloterweg hoek Venneperweg binnen. De school bestond uit 4 lokalen. Er werd les gegeven door 1 juffrouw en 3 meesters, van wie meester Remiëns het hoofd was. Er waren dus altijd combinatieklassen, en een klas bestond uit gemiddeld 20 leerlingen, dat waren er dus ongeveer 40 per lokaal. Ik woonde heel dichtbij school, vijf minuten lopen, dat was dus boffen. Er waren ook kinderen die elke dag minstens 3 km heen en 3 km terug moesten lopen. Voor deze leerlingen was er gelegenheid over te blijven.
In de oorlog werd de school ook bezocht door joodse kinderen, die ondergedoken waren bij de familie Boogaard. Dit had tot gevolg dat de heer Remiëns werd gearresteerd door de Duitsers en werd afgevoerd naar het kamp Dachau. Gelukkig kwam hij na de oorlog levend terug. Ik herinner me ook nog dat we op school eigenlijk Duits moesten leren. Dat loste onze meester als volgt op. Hij leerde ons het volgende Duitse gedichtje:
Ich
bin Peter, Du bist Paul.
Ich bin fleiszig, Du bist faul.
Eins, zwei, drei, Du bist frei.
|